Artikel.nl




Mijn komende dagen

Van stad naar bos in tijden van lockdown.

Geschreven door Thijn Piera
Gepubliceerd op: 23 mei 2021
5
61
2
Berg en Dal
Berg en Dal
Afbeelding door Emiel Schalck via Unsplash
Mijn vriendin en ik zaten in een trein van Amsterdam naar Nijmegen Centraal. Ter hoogte van de Utrechtse Heuvelrug kreeg ik de indruk dat we er bijna waren. Het landschap werd bebost en op het station van Driebergen stonden huizen die goed vergelijkbaar waren met de huizen in Nijmegen. Grote, witte villa’s die eeuwen geleden dienden als vakantiehuizen van rijke kooplui uit Amsterdam of Utrecht. Ze functioneerden nu als kantoorpanden. Het scherm in de trein gaf aan dat we nog dik een uur moesten blijven zitten.

Mijn schoonvader stond ons bij aankomst met de auto op te wachten. Nijmegen was een stuk groter dan ik mij had voorgesteld. De vader van mijn vriendin keek in de achteruitkijkspiegel en las de verwondering van mijn gezicht.

“Mooie stad is het he?”

“Ja hoor. Het is groter dan ik dacht.”

Hij lachte. Ik had het gevoel dat ik net uit een ei kwam. Misschien was dit ook zo.

Mijn schoonvader woont in Berg en Dal, een dorp nabij Nijmegen. De naam zegt het al: het dorp is gebouwd op bergen. De huizen zijn omringd door bossen. Het is niet raar als er een wild hert in de voortuin van de lokale snackbar staat te grazen.

Ik bedacht me dat het huis van haar vader op een berg of in een dal moest staan. Tot mijn teleurstelling waren de bergen eerder heuvels. De naam “Berg en Dal” was misleidend, al klonk “Heuvel en Dal” ook nergens naar.

De lockdown had de sfeer in Berg en Dal niet veranderd. In tegenstelling tot Amsterdam was het hier altijd rustig. In de stad was het tijdens de pandemie vaak voorgekomen dat ik onderweg naar de supermarkt niemand tegen kwam. Desondanks waren er toch tekens van leven. In de verte klonk nog de bel van een tram, of het gejank van een straatmuzikant die op zijn dwarsfluit de Godfather-wals speelde. In Berg en Dal hoorde je louter het eenzame getjilp van vogels, geen gebrom van auto’s of daklozen. Berg en Dal gaf rust, iets waar ik de afgelopen tijd al genoeg van had gekregen.

We gingen wandelen. Achter het huis liep een weg die geleidelijk smaller werd. Bomen namen langzaam de plaatsen van gebouwen in, tot er geen gebouw meer over was. We stonden in een bos. Mijn vriendin wees naar rechts.

“Hier naar beneden.”

Ze wees naar een klein pad dat naar beneden liep. Een dal, dacht ik.

We liepen het dal in. Naarmate we verder kwamen, stonden de bomen minder dicht op elkaar. De zon stond hoog en verblindde mij bij elke stap die ik zette.
Een paar honderd meter verder stonden grote huizen. Naast de huizen lagen weilanden waar vee graasden. We kwamen op een verharde weg. De indruk dat we in een bos waren, verdween langzamerhand. We liepen langs de opritten van grote villa’s. Het waren hetzelfde type villa’s als in Driebergen. Als we geluk hadden konden we over de grote heggen de tuinen in kijken. Sommige tuinen waren goed bijgehouden. Het gras was tot op de perfecte millimeter gemaaid. Het was duidelijk dat er nooit iemand over heen liep.
Andere tuinen waren wat speelser. Hier moesten vast en zeker kinderen wonen: aan bomen hingen schommels en het gras was vertrapt. Sommige tuinen hadden een klein voetbalgoal. Ik stelde mij voor hoe het zou zijn om hier als kind op te groeien, op een plek met speelattributen die ontworpen waren om jezelf te vermaken. Noodzakelijk, omdat er niks of niemand om je heen was.

Aan het eind van de verharde weg kwamen we aan in een ander dorp. Ook hier, in de coronacrisis, was niemand op straat. Ik betwijfelde of hier überhaupt ooit iemand op straat was.

We liepen dezelfde weg terug. Twee mensen liepen ons tegemoet.

“Wacht hier even”, zei mijn vriendin. “Even denken aan de anderhalve meter regel.”

We stonden aan de kant van het pad. Het duurde minstens een halve minuut voordat de man en vrouw ons gepasseerd waren. Ze hadden sportieve tassen op hun rug, droegen kaki broeken en donkere, fluoriserende shirts. Om het af te maken droeg de man een “American sniper” achtige zonnebril, zo een die wielrenners gebruiken.
Ik wachtte op een bedankje. Ik had al genoegen genomen met een vriendelijke knik.
De wandelaars namen ons gebaar voor lief. Ze vonden het teveel moeite om ons aan te kijken.

“Geen dank hoor!”, riep ik.

“Het zijn ook geen normale mensen, ze lopen op blote voeten door een bos!”
schreeuwde mijn vriendin.

Ik keek naar de voeten van de twee wandelaars. Inderdaad, ze hadden geen schoenen aan.

Ik liep enthousiast de heuvel op. Mijn vriendin deed rustig aan. Boven werd ik licht in mijn hoofd. Ik ging zitten op een omgevallen boom. Mijn vriendin liep op haar gemak naar boven, pakte een tak en prikte hiermee in mijn zij. Ze maakte een plagerig geluid. Ik schoot in de lach. Ze pakte mijn hand vast. We keken samen uit op het dal. De laatste bruine bladeren bedekten de vallei. Rechts van ons, in een boom, knabbelde een eekhoorn aan een noot. Het beest zat vreselijk dichtbij, maar bleek niet te schrikken van onze aanwezigheid. Dit soort rust kende ik alleen van de zomerdagen bij mijn opa in Loosdrecht. Ik kon mij de laatste keer niet herinneren. Het viel allemaal op zijn plek: de natuur, de dieren en het gebrek aan mensen. Zo kon ik mijn oude dagen wel doorkomen.
5
Geschreven door Thijn Piera
Gepubliceerd op: 23 mei 2021
5
61
2

Comments

  • 30 mei
  • 1
Mooi en vlot geschreven. Leuke vertellende schrijfstijl.
  • 30 mei
1
  • 24 mei
  • 1
Leuk geschreven!
  • 24 mei
1

Recente en relevant artikelen