Artikel.nl




Moeders… Wat moet je ermee?

Moeders… Wat moet je ermee? - verhaal.

Geschreven door Linde van Lent
Geschreven op: 15 sep 2020
Gepubliceerd op: 6 mei 2021
0
3
0
Afbeelding door Nickolas Nikolic via Unsplash
Het is druk op Centraal Station. De toeristen, forenzen en Hagenezen zwermen om me heen. Het lijkt wel een mierenhoop, alleen weet de helft waarschijnlijk niet wat ze doen. Dat gevoel ken ik maar al te goed.

Een groepje mensen dat een interessante taal (Zweeds?) spreekt loopt als het kroost van een moedereend achter een gids met zo’n sullig vlaggetje aan. Drie mannen met volle baarden en een bierbuikje kijken het groepje na.

‘Hello?’ hoor ik opeens naast me in een raar accent. Een Aziatische vrouw kijkt me met grote ogen aan. Achter haar staan nog twee vrouwen, de een met een grote zonnebril en een hoed, alsof ze het feit dat ze er ook is wil verbergen, en de ander met een lange, rode, dure jas. Beiden hebben een uitstraling van gratie en charme om zich heen hangen.

De vrouw die me oorspronkelijk aantikte, kijkt me met afwachtende grote kijkers aan. Mijn korte scan van deze vrouwen heeft me al genoeg verteld over het soort vrouwen dat ze zijn: golddiggers. Alleen hoeven ze er niet meer om te vragen. Waarschijnlijk zitten hun rijke mannen thuis nog meer aandelen te verkopen of wat ze ook doen.

‘Yes?’ zeg ik dan uiteindelijk na een stilte die veel te lang duurde om nog beleefd over te kunnen komen en te beweren dat ik niet gestaard heb. Toch weet ik dat ze er niks over gaan zeggen. Zo zijn zulke vrouwen gewoonweg niet.

‘Do you know where the city centre is?’ Ze zegt het alsof de woorden niet uit haar mond willen komen, alsof de klanken niet in haar mond thuishoren.

Weet ik waar het “city centre” is? Jazeker. Kan ik dat uitleggen aan deze lieftallige Aziatische dames? Nee. Routes beschrijven is niet mijn ding. Ik zou het wel willen, maar straatnamen? Breek me de bek niet open.

‘I’m sorry, ladies, but I’m afraid I won’t be able to help you… Maybe the people from NS will be able to help?’ bied ik hun aan. Kort kijkt ze me nog even aan, dan knikt ze en draaien ze zich allemaal op hun hakken om, op weg naar het NS personeel.
Ik draai me ook om, maar dan de andere kant op. Ik ben onderweg naar huis, althans, het huis van mijn ouders en tevens het huis van mijn jeugd. Ik dwing mijn lichaam weer te bewegen voordat ik meegesleurd zal worden in een maalstroom aan gedachten, herinneringen en gezichten van mensen uit het verleden en nu.
Ik hoor een aanzwellend gerommel in de verte en haast me snel naar de roltrap toe. Zonder op de andere reizigers op de roltrap te letten, baan ik me een weg naar boven, waar mijn tram net binnen komt rollen.

In een looppasje loop ik ernaartoe. Ik wil dit gewoon zo vlug mogelijk achter me kunnen laten en dat gaat alleen maar lukken als ik daadwerkelijk naar mijn ouderlijk huis ga.

De deuren schuiven open en een stroom aan mensen komt naar buiten tuimelen. Geduldig wacht ik tot ze allemaal uitgestapt zijn totdat ik me naar binnen wring. Ik duw mijn OV-chipkaart kort tegen de scanner en scan dan de tram voor een vrij plekje. Het blijkt spitsuur te zijn, natuurlijk, en ik accepteer dat ik nog wel een tijdje bij de deuren zal moeten staan.

Wat zal mijn moeder deze keer voor me in petto hebben? Ik hoop maar dat ze me niet weer aan Marck gaat proberen te koppelen. Die arme jongen wist niet wat hem overkwam en, om eerlijk te zijn, voelde ik precies hetzelfde. Haar actie had me niet moeten verbazen en wie zat er vervolgens diezelfde nacht nog te bedenken hoe ze het snelst en veiligst uit het raam zou kunnen klimmen? Precies. Ik.
Het lijkt nu misschien hard dat ik Marck “heb afgewezen”, zoals mijn moeder het zo subtiel verwoordde, maar wie noemt zijn kind nou weer Marck met c k? Niemand, behalve zijn ouders duidelijk. Een tweede goede vraag zou ook zijn: wie noemt zijn kind nou weer Athena? Zeus, natuurlijk, maar daar zijn mijn ouders duidelijk niet van geschrokken. Sterker nog, dat ís mijn naam.

Zo ben ik echt verbonden met de Griekse oudheid en, aangezien ik gymnasium heb gedaan, past mijn naam er goed bij. Mijn moeder wil altijd het beste voor me en dit vind ik, op mijn manier, best lief van haar. Maar dat betekent nog niet dat zij zomaar al die dingen die ze goed voor me vindt, zonder mijn weten ten uitvoer kan brengen.

‘Volgende halte...’ klinkt de blikkerige stem van de “omroepvrouw” door de intercom. Snel zwaait mijn hoofd omhoog. Ik moet nog één halte, totdat ik bij mijn moeder ben. Ik heb nog één halte, om me voor te bereiden op mijn moeder. God, sta me bij.

De deuren gaan weer open en mensen struikelen de tram in. Een man in pak van ergens in de veertig, een meisje van twintig met een baggy hoodie en een koptelefoon op haar hoofd, een vrouw in een mantelpakje en een lange jas die verwoed de persoon aan de andere kant van de lijn aan het vertellen is dat hij de nieuwe collectie nog niet mag bestellen en een moeder met een kinderwagen en een jong meisje van een jaar of zes, zeven aan de hand.

Naast me voel ik een warmte en een gespierde arm met een paar tatoeages - een band om de bovenarm die iets wegheeft van een slang, een datum met een naam in zwierige krullen, een wolf met felle blauwe ogen en een wereldkaart met een kompas die zijn hele onderarm bedekt - pakt een van de handvaten naast de mijne beet.

Omdat ik geen filter heb en er altijd van alles uitflap, vooral als het knappe mannen zijn, besluit ik de opmerking die rond stuitert in mijn brein naar buiten te gooien. ‘Ik durf te wedden dat jij de weg nooit kwijtraakt.’ zeg ik en ik stoot zachtjes tegen zijn arm.

Verdwaasd kijkt hij op. ‘Sorry?’

Ik knik naar zijn arm. ‘Je tatoeage? Je hebt een hele wereldkaart op je arm staan.’
Hij begint te lachen. Dan kijkt hij me samenzweerderig aan. ‘Nou eigenlijk…’ Zijn stem raakt nu het niveau van fluisteren en ik moet me concentreren om hem te verstaan. ‘Dat is de reden dat ik hem heb laten zetten.’ Hij geeft me een knipoog en ik moet lachen.

‘Is dat niet een beetje sneu?’

‘Mwah. Het was maar een grapje. Ik kan alleen niet zeggen dat ik nog nooit verdwaald ben.’

‘Mag ik je iets raars vragen? Het is vast echt absurd en ik snap het helemaal als je nee zou zeggen, maar ik zou het heel erg waarderen als je ja zou zeggen.’ ratel ik één ademteug. Met smekende ogen kijk ik hem aan. Een opwelling. Dat is het enige excuus wat ik heb voor wat ik zo ga vragen. En een aparte moeder. Dat ook.

‘Ehm ja? Zeg het maar.’ Met warme ogen kijkt hij me aan. Voor het eerst sinds ik hem “ontmoet” heb, neem ik de tijd om zijn gezicht te bestuderen. Hij heeft kort donkerbruin haar wat er slordig uitziet, maar dan expres. Warme donkerbruine ogen boren zich in de mijne en een rechte kaaklijn en neus sieren zijn gezicht. Kortom, een bewonderenswaardige creatie van God.

‘Zou je… Zou je zeg maar met mij…’ Jezus, hoe ga ik hem dit vragen?

‘Met je uit willen? Natuurlijk. Waarom zou ik jou weigeren?’ vult hij al voor me aan.

Snel schud ik mijn hoofd. We willen geen misverstanden hier.

‘Dat is niet wat ik wilde vragen. Nou ja, natuurlijk, maar wat ik wil vragen gaat wel iets verder…’ Eventjes val ik stil. Even een paar seconden moed verzamelen, even tot mezelf komen, adem in, adem uit. Daar gaat ‘ie dan.

‘Zou je met me mee naar huis willen? Om mijn moeder iets duidelijk te maken? Om haar, al is het maar voor even, de mond te snoeren?’ Verwachtingsvol kijk ik hem aan. Hij is de perfecte kandidaat. Knap, vriendelijk en er is aantrekkingskracht tussen ons. Zijn tatoeages zullen de reactie van mijn moeder alleen maar beter maken.

‘Hoe zie je dat precies voor je? En waarom moet jij eigenlijk je moeder de mond snoeren?’ Met opgetrokken wenkbrauwen kijkt hij me aan.

‘Waar moet ik beginnen? Ehm, mijn moeder koppelt me altijd aan mensen. Dat is één. Mijn moeder zou zich dood schrikken als ze mij met jou zou zien. Niet gemeen bedoeld ofzo, maar ja, je hebt tatoeages?’ zeg ik voorzichtig. ‘Ik vind ze geweldig, hoor.’ voeg ik er snel aan toe.

‘Het geeft niet, hoor.’ zegt hij lachend en ik voel mijn hartslag weer dalen. ‘Laat me even denken. Je wilt dus eigenlijk, grof gezegd, wraak nemen op je moeder?’
Langzaam worden mijn wangen rood. ‘Zo zou je het kunnen noemen ja…’ Langzaam dwaalt mijn stem af.

Hij verrast me, positief, door te zeggen ‘Ik doe het,’.

‘Geweldig!’ zeg ik blij. In een impuls sla ik mijn armen om hem heen. Wauw, hij heeft echt spieren!

‘Volgende halte.’ klinkt de stem van de robotvrouw weer.

‘Hier is het.’ Ik maak me los uit onze omhelzing en mijn armen vallen slap langs mijn zij. Meneer vreemdeling kijkt me onderzoekend aan.

‘Ben je klaar? Ik heet trouwens Ethan. Jij?’ Even kijk ik hem verdwaasd aan. ‘Voor als je moeder het vraagt.’ voegt hij er behulpzaam aan toe.

‘Athena. Leuke naam. Veel leuker dan de mijne in ieder geval.’ lach ik aarzelend.
‘Nee, hoor. Athena is een prachtige naam en ook erg uniek.’

‘Ja, duh. Ik ben de enige die zo heet.’ Ik rol met mijn ogen.

‘Zullen we anders maar gewoon uitstappen?’ biedt Ethan aan. Ik knik hem dankbaar toe.

De wandeling naar het huis van mijn moeder duurt slechts vijf minuten, maar nu ik hier met Ethan loop, lijkt alles nog veel sneller te gaan. De lentelucht is fris en er schijnt een waterig zonnetje.

‘Mooie buurt. Zijn je ouders rijk?’ vraagt Ethan nonchalant. Toch klinkt het niet alsof het hem iets zal uitmaken.

‘Zoiets.’ Ik haal mijn schouders op. ‘Mijn moeder komt wel uit een “goede” familie.’ Met mijn vingers maak ik aanhalingstekens in de lucht. ‘Haar moeder zorgde er voor dat ze met een rijke man trouwde. Dat was mijn vader. Ze pasten alleen echt totaal niet bij elkaar en uiteindelijk, na echt ontelbaar veel ruzies, zijn ze maar uit elkaar gegaan. Helaas heeft dit haar niet afgeschrikt en ze zoekt nog steeds naar een goede huwelijkskandidaat voor mij.’ zeg ik op feitelijke toon.

Hij knikt begrijpend. ‘Ik ga jou dus helpen je moeder een punt duidelijk te maken. Ga jij mij ook ergens mee helpen?’ Mijn blik schiet van de grond naar zijn ogen. Verschrikt kijk ik hem aan.

‘Meen je dat? Natuurlijk. Shit! Oh, het spijt me zo. Hoe heb ik daar niet aan kunnen denken?’ Deze man brengt me helemaal in de war. Mijn mond kan niet meer stoppen met praten en mijn brein is te druk met bedenken hoe goed hij eruit ziet om mijn mond te stoppen.

‘Het was maar een grapje.’ zegt hij dan grinnikend. ‘Het zit wel goed tussen ons, toch?’ Kameraadschappelijk legt hij zijn arm over mijn schouder en trekt me tegen zijn warme lichaam aan. Kijk, dat helpt nou echt tegen de kou.

‘Hoe hebben we elkaar eigenlijk ontmoet? Het moet wel een goed verhaal zijn.’ voegt hij eraan toe als hij mijn verwarde gezicht ziet.

‘Gewoon. De waarheid.’ Ik haal mijn schouders voor de zoveelste keer deze dag op. ‘Ik heb een leuke man zover kunnen krijgen dat hij met me mee naar huis zou gaan. Dat laat haar wel zien dat ik zélf een man kan vinden.’ Zelfverzekerd recht ik mijn schouders en in de verte zie ik het huis al staan.

0
Geschreven door Linde van Lent
Geschreven op: 15 sep 2020
Gepubliceerd op: 6 mei 2021
0
3
0

Recente en relevant artikelen