Artikel.nl




Editorial Approved Badge

Als gedachten: Terminus

We zijn allemaal wel eens in slaap gevallen tijdens een langere treinreis. Maar misschien toch niet op deze manier... vermoed ik!

Geschreven door Rudi Lejaeghere
Gepubliceerd op: 16 juni 2021
4
22
8
Afbeelding door Florian van Duyn via Unsplash
Ik was dus nog maar eens in slaap gevallen op de trein. Het is een gewoonte van mij. Ik herinner me verschillende keren waar ik gewoon mijn halte voorbijreed om het feit dat ik ingedut was. Misschien door het monotoon geluid van de trein, misschien gewoon omdat ik moe was.
Het is natuurlijk niet iedereen gegeven om te kunnen slapen op de plaats waar je zit. Ikzelf heb er geen enkel probleem mee. Het schijnt zelfs gezond te zijn om in zo’n positie te slapen, vooral voor mijn problemen met astma. Mijn ademhalingswegen blijven beter open op die wijze. Ik heb mij dat in alle geval toch op een zeker moment laten wijsmaken door mijn huisarts. Het enige wat me deze keer enigszins stoorde was de slechte smaak in mijn mond en mijn troebel zicht. Ik wist dat ik nog niet ten volle wakker was, het zou wellicht wel beter worden na enige minuten. Hoe laat was het trouwens?

Mijn horloge vertelde me deze keer echter niets, want de wijzers bewogen niet meer. Voor alle zekerheid gaf ik er nog een goeie tik op, maar de secondewijzer bleef waar hij stond, de rest van de wijzers ook. Twee voor twaalf!

Ik moest om half twaalf afgestapt zijn, maar toen zat ik ergens nog tussen twee dromen in. Nu zou ik de volgende halte moeten nemen, een bus of taxi zoeken en terugrijden. Jammer van de verloren tijd.
Terwijl ik naar mijn mobieltje zocht in mijn aktentas, keek ik even door het coupé. Er zat enkel een oudere heer wat verder in de wagon met zijn rug naar mij toe. Voor de rest hadden we hopen privacy. God, waar had ik nu dat mobieltje gelaten, dacht ik bij mezelf. Ik had nu eenmaal geen planmatige geest en ik kon me dus echt niet inbeelden waar ik het de laatste keer gelaten had. Was het toen ik mijn vriendin belde voor de zoveelste keer? Deze gedachten leidden me naar het feit dat ik plots herinnerde dat ik eigenlijk haar niet meer ‘mijn vriendin’ mocht noemen.
Het was allemaal een misverstand en ze wou nu echt niet luisteren naar mijn redenen. Ze werd soms heel agressief als ik haar dat wou proberen op andere gedachten te brengen. Ze zou wel bijdraaien vermoedde ik en terug in mijn armen komen als ze eventjes bekoeld was.
Misschien kon ik aan die oudere man vragen of ik zijn telefoon even mocht gebruiken om naar mijn werk te bellen? Dat ik er wat later aankwam.

Ik trok door de wagon en zette mij schrap tegen de wiegende bewegingen van de trein. Helaas toen ik bij de man kwam, zag ik dat hij sliep. Zou ik hem wakker maken? Ik zou wel moeten als ik iemand wou verwittigen. Ik schudde even zacht aan zijn schouder.

De man schrok en ikzelf deed als resultaat een stapje achteruit. De trein maakte juist een schokkende beweging en ik moest mij vasthouden aan een metalen staaf. Ik was bijna gevallen. Bijna greep ik nog mis. Er was degelijk iets mis met mijn dieptezicht of anders was ik nog niet volledig bij mijn positieven.
‘Mijnheer, kan ik even je mobieltje gebruiken? Ik ben mijn halte voorbijgereden en ik zou graag mijn baas verwittigen.”
De man keek me aan met een vreemde blik. Tranen liepen langs zijn wangen en hij antwoordde met een schorre fluisterende stem: “Ik had het niet moeten doen, maar nu is het te laat. Het is gebeurd en er is geen weg terug!”
Met mijn ogen wijd opengesperd keek ik de man aan. Wat bedoelde hij nu? Was deze oude man dement? Was hij op de trein gesukkeld en wist hij niet meer waar hij was?

“Wat bedoel je, Mijnheer?” hoorde ik mezelf vragen. Dat was nu niet direct de prioritaire zaak van de wereld, toch niet voor mij, maar men heeft mij altijd geleerd respect te hebben voor oudere mensen.
De oude man snoot zijn neus in een wit rood geblokte zakkendoek.
“Ik wist dat ik een blok aan haar been was maar ik...,” hier snikte de man weer en raakte niet direct uit zijn woorden. Ik bekeek hem even beter aan en zag toen dat de man er heel eigenaardig uitzag. Hij droeg een pyjama met daarboven een gebloemde kamerjas. Toen zag ik het! In het midden van zijn hals onder zijn kin zat een gapende wonde. Had de man zichzelf proberen het leven te ontnemen of wie had hem zoiets wreeds aangedaan? Hoe was het zelfs mogelijk dat hij nog kon praten met zo’n verwonding?

“Hé, vadertje, je moet nu niet direct aan zulke zaken denken. Dan is er inderdaad geen weg meer terug. Er zijn vast en zeker nog wel mensen die je graag zien en voor je willen zorgen of luisteren naar jou en je problemen.”
Ik zei zomaar iets, het eerste wat in me opkwam, maar eigenlijk wist ik niet goed hoe ik me moest gedragen. Zou hij het verder wel redden? Ik moest hoogdringend de conducteur vinden. Ik liep naar het einde van de wagon en zag in de verte een man met een zwarte pet dichterbij komen. Oké, wat een geluk, hulp was onderweg.
De conducteur was een heel magere man, volledig in het zwart gekleed met een heel triestig uitziend gezicht.

“Kan ik je helpen, Mijnheer?” vroeg hij met een dreigende bromtonstem.
Ik wist niet hoe ik het moest uitleggen en wees op de oude man en toen naar mijn eigen nek om hem op het desbetreffend gat te wijzen dat zich daar op die plaats bevond. Een universele taal die normaal gezien iedereen verstond.
“Ah, ik begrijp het,’ glimlachte de conducteur, “ niets om je zorgen over te maken hoor!”
Ik hoorde het in Keulen donderen. Niets om je zorgen over te maken? Die man moest geholpen worden en dat zei ik dan ook in een paar heel lelijke klinkende zinnen.
“Het helpt jou absoluut niet en hem ook niet om je hierover druk te maken. Trouwens ik zou mij eerder zorgen maken over mezelf,” antwoordde de treinconducteur.

“Hoe bedoel je?” riposteerde ik direct. Wat had ik daarmee nu te maken?
De zwarte geklede man schudde zijn hoofd. “Oké, ik weet het, het is allemaal vreemd voor de eerste keer, maar als je een tijdje meedraait zal het je wel overduidelijk worden. Kijk gewoon eens in de spiegel.”
Niets begreep ik er nog van. Waarom moest ik in de spiegel kijken? Waar was die…spiegel.

Toen zag ik in de reflectie van het glas van de trein mijn gezicht. Mijn linkeroog was weg en er gaapte een bloederig gat in de plaats.
Ik schreeuwde mijn longen uit en keek naar de oude man. Hij knikte veelbetekenend. “Ja, je bent net als ik door misdadig geweld gestorven. Net als ik ben je nu op weg naar de allerlaatste halte. Terminus voor ons beiden.”
4
Geschreven door Rudi Lejaeghere
Gepubliceerd op: 16 juni 2021
4
22
8

Comments

  • 17 juni
  • 1
Goed geschreven verhaal!
1
  • 17 juni
  • 1
Wat een spannend verhaaltje
1
  • 17 juni
  • 1
Arme man. :( hopelijk vind hij een mooi plekje in de hemel.
1
  • 17 juni
  • 1
Oooeh wat spannend en een beetje luguber.
1

Recente en relevant artikelen